Het chatten gaf me een gevoel van opluchting en dat gevoel wilde ik vaker hebben

Op een waterkoude dag ga ik op bezoek bij Linde, een van de eerste mensen die haar verhaal kwam doen op de anonieme chat van Het Luisterend Oog. Voordat we naar binnen gaan lopen we door de rommelige, open liggende voortuin. “Mooi, he?”, zegt Linde. Ik stamel iets van “ja, eh.. zeker”. Eenmaal binnengekomen worden we verwelkomd door katten, een gerbil en een jonge, zwart glanzende hond. “Diva komt van een particuliere fokker van duitse herders, maar later bleek dat de labrador van drie huizen verderop ook een paar nachten achter het hek is geweest. Iedereen die een pup had besteld had afgezegd, maar ik kon dat niet. Ik ga dan niet zeggen, omdat je geen duitse herder bent ben je niet goed genoeg.”, vertelt Linde. Ondertussen piept haar telefoon voor de honderdste keer. “God wat een drukte jongens.”



In 2006 werd Linde voor de eerste keer moeder en onder invloed van hormonen kwamen vervelende gebeurtenissen uit het verleden naar boven. “Voor die tijd was ik altijd bezig met het verenigingsleven, met vriendinnen en werkte ik in het bedrijf van mijn man. Nu zat ik alleen thuis met mijn dochter.” Ze zocht via Google naar wat ze hier nu mee moest en kwam bij Het Luisterend Oog terecht. “Ik wilde dat een schrijver mijn verhaal zou uitwerken tot een boek. Omdat ik er nog nooit inhoudelijk over gesproken leek de anonimiteit van deze site een goed en laagdrempelig begin voor me. In eerste instantie dacht ik dat ik door het beeldscherm een afstand zou voelen, maar het kwam allemaal juist heel dichtbij. Ik ben zelfs wel eens achter mijn beeldscherm flauwgevallen.” Die nabijheid zorgde er ook voor dat Linde zich gehoord voelde. “De vrijwilligers lieten blijken echt bezorgd om me te zijn, dat gaf een fijn gevoel. Het maakte ook niet uit hoe je een chat binnenkwam, er was altijd wel iemand die je op het goede padje zette. Op den duur kwam ik er dagelijks en leek het een verslaving. Het chatten gaf me een gevoel van opluchting en dat gevoel wilde ik vaker hebben. Deze gesprekken hebben er uiteindelijk voor gezorgd dat ik mijn woorden richting de schrijver uit kon spreken.”

De kracht van de chatgesprekken bij Het Luisterend Oog is de anonimiteit en als deelnemer kun je zelf kiezen onder welke naam je een chatgesprek voert. Linde voerde chatgesprekken onder verschillende namen, maar sprak later met de vrijwilligers af dat ze een naam zou gebruiken: ‘Levenswerk’. Tijdens een chatgesprek draaiden de rollen om en begon Linde vragen te stellen aan de vrijwilliger. “Uiteindelijk vroeg deze vrijwilliger: ‘zou jij dit werk niet willen doen?’. Daar had ik natuurlijk helemaal niet bij stil gestaan. Ik moest dit even laten bezinken, maar na een tijdje dacht ik: ‘waarom niet?’”. Voordat Linde vrijwilliger werd voerde ze eerst een kennismakingsgesprek. “Ik weet nog goed dat ik tijdens het gesprek met de toenmalige coördinator meteen een klik voelde. Aan het einde van het gesprek benoemde ik dat ik Levenswerk was. Ondanks dat ik er, om het luchtiger te maken, nog ‘verrassing! achteraan riep, schrok ze behoorlijk. Ze vertelde me dat ik de meest besproken deelnemer op dat moment was.”



Ook in de rol van vrijwilliger had Linde met iedereen een klik en toch heeft ze ook wel eens iemand geblokkeerd. “Je mag best dicht bij me komen met je recht voor z’n raap houding, maar wanneer je gaat schelden houd ik er mee op.”, spreekt ze duidelijke taal. Op de chat komen ook regelmatig deelnemers chatten die slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik. Door haar eigen verleden kon Linde veel voor deze mensen betekenen. “Voor deze mensen kon ik woorden invullen die ze zelf moeilijk vonden om te zeggen of te schrijven. Het was natuurlijk heel herkenbaar en dat was mijn grote kracht als vrijwilliger. Tussen de regels door lezen wat een deelnemer werkelijk bedoelt: ‘heb ik het goed dat je dit wilt zeggen?’. Dat maakt dat je dichter bij de deelnemer komt, zodat deze verder met je praat of nog eens met je wilt praten. Dat was wel lastig, want we wilden juist niet dat je een ‘vaste’ gesprekspartner kreeg. Dat wilde ik zelf ook zeker niet, want ik vind juist die korte gesprekjes waarin iemand met een opgelucht of voldaan gevoel de chat verlaat fijn. Ik denk dan: ‘ja, die kan weer verder’.”

In de woonkamer staat een kleine boekenkast en mijn oog valt meteen op het boek Empathie van Roman Krznaric. De schrijver vertelt in dit boek hoe we met andere mensen in gesprek kunnen gaan en hoe ons in hen te verplaatsen, een belangrijke vaardigheid voor een chatvrijwilliger. “Ik vond het boek empathie ook interessant vanuit mijn werk in de zorg, want daar heb je heel veel ladingen empathie nodig. Ik vind het in mijn werk belangrijk om eerlijk en oprecht over te komen. Wanneer je doet of je empathie toont, prikt iedereen doorheen. Wanneer ik het toon kan dat met mijn vrolijkheid maar als het serieus moet wezen draai ik helemaal om, dan stop ik de vrolijkheid even weg, ga ik er even bij zitten en neem de tijd om met iemand te praten. Zelfs mijn pauze laat ik er wel eens voor schieten.”



In 2012 is Linde gestopt met chatten. “Het bedrijf van mijn man ging failliet ging en dat werd me teveel. We zijn ons huis kwijt geraakt en stonden bij wijze van spreken met een bananendoos onder de brug. We moesten alles weer opnieuw opbouwen en het zal nog wel een poos duren voordat we echt gesetteld zijn.” Toch ziet Linde hier ook het positieve van in: “Op je bek gaan is best leuk. Je kan altijd zeggen dat de grond een knuffel nodig had.” Ze kijkt met een goed gevoel terug op haar werk bij Het Luisterend Oog. “Naast het werk als chatvrijwilliger heb ik verschillende interviews gedaan, ben ik op televisie geweest en heb ik ook een presentatie gegeven op een congres. De mensen hingen daar aan m’n lippen terwijl ik dacht: ‘wanneer kan ik weg?’. Hahaha.. ik vond het stiekem best tof om te spreken voor zo’n volle zaal. De mensen die daar zaten kwamen vooral uit de gezondheidszorg en die heb ik een ander beeld kunnen geven van wat een slachtoffer is. Mensen gaan snel mee in een protocolletje en vergeten dat het ook anders kan zijn. Misschien voelde ik me daardoor wel zo thuis bij Humanitas.”